Zo rond 1980 kwam de patrijs veelvuldig voor op het Nederlandse
platteland. Sindsdien is het ideale patrijsgebied verdwenen en hun aantal met
ruim 95% afgenomen. De vogel is bezig te verdwijnen uit Nederland en we hebben
dat nauwelijks gemerkt.
De patrijs is een bescheiden verschijning met zijn grijsbruine verendek. Hij
lijkt een beetje op een fazant of kwartel. Als je ernaar op zoek bent, moet je heel
goed kijken en geluk hebben. Je kunt tien keer door een leefgebied van de patrijs
lopen en er niet eentje zien, en de keer erna zie je er opeens twintig
tegelijk.
We weten eigenlijk te weinig van deze vogel, maar als je het ideale
patrijsgebied vergelijkt met het huidige agrarische landschap, dan snap je
meteen waarom hij het moeilijk heeft. Op het huidige platteland redt de patrijs
het absoluut niet meer. De ruige, beschutte plekjes waar hij zijn nesten
bouwde, zijn bijna helemaal verdwenen.
De insecten die vooral de kuikens als voedsel nodig hebben, zijn er steeds
minder en de grootschalige maai- en oogstmethodes die we tegenwoordig hanteren,
zijn dramatisch voor de nesten. Bovendien liggen na het oogsten de jongen ook
nog eens open en bloot voor de vos of de havik.
Tenslotte zouden pesticiden ook nog een oorzaak kunnen zijn.
Hoe het ook zij: zonder hulp is de patrijs in ieder geval binnen afzienbaar
termijn uit Nederland verdwenen. Dat mag niet gebeuren en daarom is 2013
uitgeroepen tot het Jaar van de Patrijs.
Hoe kunnen we de patrijs redden ?
Om een levensvatbare populatie te laten bestaan, heb je dichtheden van minimaal
5 tot 10 patrijzen per km2 nodig.
Als we dat voor elkaar willen krijgen, is een soort landbouw nodig waarin ook
aandacht is voor natuur en landschap. Dat is landbouw met brede en natuurlijk beheerde
akkerranden en ruigtes, samen met heggen en houtwallen. Erfranden helpen ook, bijvoorbeeld
een brede grasstrook met kruiden als overgang naar een aangrenzend akker- of
grasland. Of koren zaaien, dat in de winter blijft staan, zodat de vogel ook in
dat jaargetijde bescherming en voedsel vindt.
Allemaal prima voorzieningen voor de patrijs en het is ook nog eens goed voor veel
andere flora en fauna en dus voor de biodiversiteit.
Vrijwilligers tellen minimaal twee keer per jaar de patrijzen.
Op die manier wordt snel duidelijk of de maatregelen effect hebben, of dat er
iets anders moet worden bedacht om de patrijs van de ondergang te redden.
woensdag 8 mei 2013
woensdag 10 april 2013
Biodiversiteit in de Oisterwijkse bossen.
Oisterwijk staat bekend om
zijn bossen en vennen, maar de versnippering ervan is niet zo gunstig voor de
biodiversiteit.
De gemeente doet er alles aan om dat te verbeteren.
De ontwikkeling rondom het voormalig MOB complex en het verplaatsen van Camping De Reebok, die in een Natura 2000 gebied ligt, zijn daar goede voorbeelden van. Het B-team mag daarbij vaak advies geven.
Ook Natuurmonumenten, redder en nu dus jubilerend eigenaar van een groot gedeelte van de Oisterwijkse bossen, zet zich in voor verbetering van de biodiversiteit.
De gemeente doet er alles aan om dat te verbeteren.
De ontwikkeling rondom het voormalig MOB complex en het verplaatsen van Camping De Reebok, die in een Natura 2000 gebied ligt, zijn daar goede voorbeelden van. Het B-team mag daarbij vaak advies geven.
Ook Natuurmonumenten, redder en nu dus jubilerend eigenaar van een groot gedeelte van de Oisterwijkse bossen, zet zich in voor verbetering van de biodiversiteit.
Tijdens de afgelopen periode zijn
daarvoor kapwerkzaamheden uitgevoerd. Op
verschillende plekken in het bos kon je machines aan het werk zien die vooraf
gemarkeerde bomen verwijderden. Op die manier is het bos gedund en zijn er open
plekken ontstaan en meer licht en ruimte.
Veel dieren, zoals bijvoorbeeld mieren, zijn gebaat met open en zonnige plekken. Ook planten en loofbomen krijgen er een kans en zo ontstaat een gevarieerder bos, een bos met kruiden, struiken, loofbomen en dood hout.
Dood hout is erg belangrijk, want 50% van de biodiversiteit zit in dood hout. Het zit vol schimmels, insecten en bacteriƫn.
Veel aandacht is er voor de bosranden, zij krijgen een meer natuurlijkere overgang, een zogenaamde rafelige strook. Hierdoor ontstaat er een meer kruidachtige vegetatie van allerlei plantensoorten en zullen ze ook meer vogelsoorten aantrekken, zoals de nachtzwaluw en de geelgors. Reptielen als de levendbarende hagedis kunnen hier ook van profiteren.
Kruiden geven bovendien veel kleur en trekken daardoor insecten aan: dag- en nachtvlinders, kevers, wilde bijen en hommels. Die vormen op hun beurt weer larven en zijn dus een voedselbron voor vogels en zoogdieren.
Heel nuttig werk dus ! Het vindt overigens al tientallen jaren plaats en langzaam maar zeker zijn op die manier de voormalige productiebossen omgevormd van dichte, donkere bospercelen, die als een akker vol stonden met grove den, tot bossen met voldoende variatie aan soorten bomen en planten.
Door de jaren heen is daarin ook al het aantal diersoorten toegenomen.
Nu het eindbeeld in zicht is, betekent dat niet dat het werk ophoudt.
Er zullen altijd ingrepen nodig blijven, bijvoorbeeld om op de heideveldjes en de oevers van de vennen het oprukkende bos tegen te houden.
Ook de populariteit onder recreanten, die het bos als meer dan honderd jaar weten te vinden, blijft onverminderd groot. Er moet dus voortdurend gewerkt worden aan een “beleefbaar” en toegankelijk bos, waarin iedereen ook de komende honderd jaar kan komen genieten.
Veel dieren, zoals bijvoorbeeld mieren, zijn gebaat met open en zonnige plekken. Ook planten en loofbomen krijgen er een kans en zo ontstaat een gevarieerder bos, een bos met kruiden, struiken, loofbomen en dood hout.
Dood hout is erg belangrijk, want 50% van de biodiversiteit zit in dood hout. Het zit vol schimmels, insecten en bacteriƫn.
Veel aandacht is er voor de bosranden, zij krijgen een meer natuurlijkere overgang, een zogenaamde rafelige strook. Hierdoor ontstaat er een meer kruidachtige vegetatie van allerlei plantensoorten en zullen ze ook meer vogelsoorten aantrekken, zoals de nachtzwaluw en de geelgors. Reptielen als de levendbarende hagedis kunnen hier ook van profiteren.
Kruiden geven bovendien veel kleur en trekken daardoor insecten aan: dag- en nachtvlinders, kevers, wilde bijen en hommels. Die vormen op hun beurt weer larven en zijn dus een voedselbron voor vogels en zoogdieren.
Heel nuttig werk dus ! Het vindt overigens al tientallen jaren plaats en langzaam maar zeker zijn op die manier de voormalige productiebossen omgevormd van dichte, donkere bospercelen, die als een akker vol stonden met grove den, tot bossen met voldoende variatie aan soorten bomen en planten.
Door de jaren heen is daarin ook al het aantal diersoorten toegenomen.
Nu het eindbeeld in zicht is, betekent dat niet dat het werk ophoudt.
Er zullen altijd ingrepen nodig blijven, bijvoorbeeld om op de heideveldjes en de oevers van de vennen het oprukkende bos tegen te houden.
Ook de populariteit onder recreanten, die het bos als meer dan honderd jaar weten te vinden, blijft onverminderd groot. Er moet dus voortdurend gewerkt worden aan een “beleefbaar” en toegankelijk bos, waarin iedereen ook de komende honderd jaar kan komen genieten.
woensdag 6 maart 2013
Het gemeentelijk beleid rondom de kap van bomen.
Het kapbeleid van de gemeente Oisterwijk is vastgelegd
in de Bomenverordening 2010 gemeente
Oisterwijk.
Daarin staat dat wanneer perceeleigenaren een boom willen rooien, ze verplicht
zijn een kapvergunning aan te vragen, beter gezegd een omgevingsvergunning voor
de activiteit “kappen”. Voor alle houtopstanden met een minimale doorsnede van
20cm is zo’n vergunning nodig. De aanvraag ervan wordt vervolgens beoordeeld
aan de hand van een toetsingsformulier waarop het belang voor het behoud van de
boom wordt afgewogen tegen het belang van de maatregel. Goed geregeld zou je zeggen, maar toch is dat niet zo .
Het systeem werkt namelijk niet goed.
Dat komt vooral omdat de te hanteren criteria voor het behoud van bomen niet in de juiste verhouding staan tot de criteria voor het verwijderen ervan. In de checklist is bijvoorbeeld nauwelijks tot geen aandacht voor de biodiversiteitwaarde en landschappelijke waarde van bomen en staat het economisch belang voorop.
Daardoor wordt vaak een vergunning verleend, terwijl dat niet zou moeten. Met een beetje schaduwwerking mag je bijvoorbeeld al kappen.
De gemeente geeft aan dat ze zich heeft voorgenomen waardevolle houtopstanden te beschermen, maar schiet op deze manier haar doel voorbij.
Als je ziet hoeveel bomen er per jaar binnen de gemeente gekapt mogen worden, ga je soms twijfelen aan het voornemen van de gemeente om waardevolle houtopstanden te beschermen en dat ook nog eens, volgens eigen zeggen, via een snelle en klantvriendelijke afhandeling, zonder overbodige regelgeving.
Als dat zo is, dan moet het huidige systeem flink op de schop.
De onvolkomenheden die er in zitten moeten er uit en er moet vooral meer aandacht komen voor biodiversiteit en landschappelijke waarde.
Het B-team heeft in het verleden, op verzoek van de gemeente, voor binnen de bebouwde kom, een lijst met monumentale bomen opgesteld, bomen die in principe niet gekapt mogen worden. Voor alle andere is een omgevingsvergunning “kappen” noodzakelijk en bij het verlenen daarvan is het dus belangrijk is dat de criteria, ook die met betrekking tot handhaving en herplantplicht, zodanig worden bijgesteld dat een boom een eerlijke kans heeft te mogen blijven staan.
In het Groenprogramma Oisterwijk 2013-2016 zal dit nieuwe “kapbeleid” worden opgenomen. Het B-team zal daarbij worden betrokken en hopelijk een belangrijke stem hebben.
dinsdag 5 februari 2013
Hoe stel je de aandacht voor biodiversiteit veilig ?
De jongeren van nu, de moderne burgers, hebben
over tien, twintig jaar de houding die ze op dit moment ontwikkelen nog steeds:
we doen het zelf wel !
Prima, maar gevaarlijk als ze daarbij de opvatting hebben dat het niet zo’n vaart zal lopen met het probleem van de biodiversiteit.
Hoe kunnen we nu zorgen dat we de ontwikkeling stimuleren die echt nodig is: beschermen en verbeteren van de biodiversiteit.
Naar mijn idee niet door je als voorloper op te stellen, maar door te ondersteunen en te adviseren en niet te ingewikkeld te doen.
Natuurlijke processen zijn op zichzelf al complex genoeg.
Overheden, bedrijven, natuurorganisaties moeten dus volgens mij niet op de voorgrond treden en vaandeldrager spelen, maar juist min of meer onzichtbaar ondersteunen, meewerken en/of adviseren: “first follower”
zijn, zoals dat heet. Leiden door te volgen ! Dat werkt veel beter !
Ik las deze opvatting ook in het door Thomas van Slobbe geschreven rapport Hoezo Natuur van de Stichting wAarde. Hij wijst daarin op een filmpje op You Tube, waarin duidelijk te zien is hoe het “First follower” zijn werkt. Het filmpje heet Leadership lessons from a dancing guy en is gemaakt door Derek Sivers. Je kunt het zelf op You Tube bekijken.
Thomas Slobbe geft de volgende toelichting: Het filmpje start met een dansende jongen in een grote groep mensen. Je ziet hoe na enige tijd een andere jongen mee gaat dansen en vervolgens de derde. Gaandeweg sluiten steeds meer mensen zich aan en tenslotte is bijna de hele menigte aan het dansen.
Wat de eerste volger doet is cruciaal: hij laat aan iedereen zien dat je gerust kunt volgen en nodigt uit mee te doen. Zo wordt hij leider door te volgen: “the first follower”.
Als de tweede volger mee gaat doen, is dat als het ware het bewijs dat de eerste de juiste keuze heeft gemaakt en dan is het omslagpunt bereikt.
Want drie is een groep en een groep is nieuws en iedereen wil daar bij horen !
Als je dus wilt bereiken dat biodiversiteit in de nabije toekomst echt belangrijk blijft, wordt dan moedig de “first follower” en laat anderen zien hoe je moet volgen !
Prima, maar gevaarlijk als ze daarbij de opvatting hebben dat het niet zo’n vaart zal lopen met het probleem van de biodiversiteit.
Hoe kunnen we nu zorgen dat we de ontwikkeling stimuleren die echt nodig is: beschermen en verbeteren van de biodiversiteit.
Naar mijn idee niet door je als voorloper op te stellen, maar door te ondersteunen en te adviseren en niet te ingewikkeld te doen.
Natuurlijke processen zijn op zichzelf al complex genoeg.
Overheden, bedrijven, natuurorganisaties moeten dus volgens mij niet op de voorgrond treden en vaandeldrager spelen, maar juist min of meer onzichtbaar ondersteunen, meewerken en/of adviseren: “first follower”
zijn, zoals dat heet. Leiden door te volgen ! Dat werkt veel beter !
Ik las deze opvatting ook in het door Thomas van Slobbe geschreven rapport Hoezo Natuur van de Stichting wAarde. Hij wijst daarin op een filmpje op You Tube, waarin duidelijk te zien is hoe het “First follower” zijn werkt. Het filmpje heet Leadership lessons from a dancing guy en is gemaakt door Derek Sivers. Je kunt het zelf op You Tube bekijken.
Thomas Slobbe geft de volgende toelichting: Het filmpje start met een dansende jongen in een grote groep mensen. Je ziet hoe na enige tijd een andere jongen mee gaat dansen en vervolgens de derde. Gaandeweg sluiten steeds meer mensen zich aan en tenslotte is bijna de hele menigte aan het dansen.
Wat de eerste volger doet is cruciaal: hij laat aan iedereen zien dat je gerust kunt volgen en nodigt uit mee te doen. Zo wordt hij leider door te volgen: “the first follower”.
Als de tweede volger mee gaat doen, is dat als het ware het bewijs dat de eerste de juiste keuze heeft gemaakt en dan is het omslagpunt bereikt.
Want drie is een groep en een groep is nieuws en iedereen wil daar bij horen !
Als je dus wilt bereiken dat biodiversiteit in de nabije toekomst echt belangrijk blijft, wordt dan moedig de “first follower” en laat anderen zien hoe je moet volgen !
dinsdag 1 januari 2013
2012, het jaar van de bij

2012, het jaar van de bij, ligt achter ons.
Heel belangrijk is de aandacht die er was voor zowel de honingbij als de wilde bijen. Onze voedselvoorziening is er namelijk voor minstens 30% van afhankelijk en er sterven wereldwijd, ook in Nederland, veel te veel bijen.
Hoe komt dat nou ?
Bestrijdingsmiddelen zijn een belangrijke oorzaak, ze worden in de land- en tuinbouw gebruikt tegen luizen, die zich daardoor niet meer kunnen voortplanten. Hoera, de plaag bestreden, maar ze werken helaas op alle insecten en dus ook op bijen.
Verbieden dus, net als in Frankrijk en Duitsland.
Daarnaast is het zo, dat het Nederlandse landschap sterk verschraald is als het gaat om het aanbod van bloemen en dus hebben de bijen het moeilijk, want er is minder stuifmeel en nectar te halen. Dat verzwakt hun conditie, waardoor ze bevattelijker worden voor parasieten. Parasieten veroorzaken een wintersterfte onder de bijen van wel 30%, terwijl volgens imkers 10% normaal is.
De leefomstandigheden voor bijen moeten dus beter, vooral in steden en dorpen, waar normaal gesproken een grote variatie aan bloemen en planten is. We kunnen daar de overlevingskans van bijen flink vergroten door bijvoorbeeld bermen minder vaak te maaien, bijvriendelijke bloemen te zaaien of plekken te maken waar ze kunnen wonen.
Veel gemeenten zetten zich gelukkig al in voor bijen en andere insecten om zo de biodiversiteit te vergroten. Ze proberen groengebieden te verbinden, zodat planten en dieren zich gemakkelijker kunnen verspreiden, ze geven subsidie voor groene daken en gevels, ze bestrijden milieuvriendelijk het onkruid of adviseren om drachtplanten te kiezen. Dat zijn planten die veel nectar en/of stuifmeel leveren.
En wat gebeurt er in de gemeente Oisterwijk ?
Natuurmonumenten organiseerde in 2012 bijenspeurtochten met honingproeven voor kinderen van 4 tot 6 jaar, het IVN organiseerde een lezing over de honingbij, kende de HelpDeBijQuiz, bood de mogelijkheid tot het maken van een insectenhotel en had andere bijenactiviteiten. De gemeente zaaide braakliggende terreintjes in met een bijvriendelijk akkerrandmengsel en het B-team Oisterwijk diende haar daarbij van advies.
Bovendien bestrijdt de gemeente alleen wespen en bijen in geval van gevaar. Hopelijk doet u als burger dat ook, maar de beste manier om de bijen te helpen is dus te zorgen voor meer bloeiende planten en struiken en bomen, zoals bijvoorbeeld blauwe regen, meidoorn, maagdenpalm, lavendel, appel, kers of linde. Iedereen met een eigen tuin of balkon kan dat.
Het B-team tenslotte moest maar weer eens een biodiversiteitsmarkt houden, waarop drachtplanten te koop zijn en de gemeente kan in de nieuwbouwstraten best wel bijvriendelijke bomen planten en in de bloembakken die hier en daar verschijnen kunnen bijvoorbeeld afrikaantjes.
Mogelijkheden genoeg dus.
Heel belangrijk is de aandacht die er was voor zowel de honingbij als de wilde bijen. Onze voedselvoorziening is er namelijk voor minstens 30% van afhankelijk en er sterven wereldwijd, ook in Nederland, veel te veel bijen.
Hoe komt dat nou ?
Bestrijdingsmiddelen zijn een belangrijke oorzaak, ze worden in de land- en tuinbouw gebruikt tegen luizen, die zich daardoor niet meer kunnen voortplanten. Hoera, de plaag bestreden, maar ze werken helaas op alle insecten en dus ook op bijen.
Verbieden dus, net als in Frankrijk en Duitsland.
Daarnaast is het zo, dat het Nederlandse landschap sterk verschraald is als het gaat om het aanbod van bloemen en dus hebben de bijen het moeilijk, want er is minder stuifmeel en nectar te halen. Dat verzwakt hun conditie, waardoor ze bevattelijker worden voor parasieten. Parasieten veroorzaken een wintersterfte onder de bijen van wel 30%, terwijl volgens imkers 10% normaal is.
De leefomstandigheden voor bijen moeten dus beter, vooral in steden en dorpen, waar normaal gesproken een grote variatie aan bloemen en planten is. We kunnen daar de overlevingskans van bijen flink vergroten door bijvoorbeeld bermen minder vaak te maaien, bijvriendelijke bloemen te zaaien of plekken te maken waar ze kunnen wonen.
Veel gemeenten zetten zich gelukkig al in voor bijen en andere insecten om zo de biodiversiteit te vergroten. Ze proberen groengebieden te verbinden, zodat planten en dieren zich gemakkelijker kunnen verspreiden, ze geven subsidie voor groene daken en gevels, ze bestrijden milieuvriendelijk het onkruid of adviseren om drachtplanten te kiezen. Dat zijn planten die veel nectar en/of stuifmeel leveren.
En wat gebeurt er in de gemeente Oisterwijk ?
Natuurmonumenten organiseerde in 2012 bijenspeurtochten met honingproeven voor kinderen van 4 tot 6 jaar, het IVN organiseerde een lezing over de honingbij, kende de HelpDeBijQuiz, bood de mogelijkheid tot het maken van een insectenhotel en had andere bijenactiviteiten. De gemeente zaaide braakliggende terreintjes in met een bijvriendelijk akkerrandmengsel en het B-team Oisterwijk diende haar daarbij van advies.
Bovendien bestrijdt de gemeente alleen wespen en bijen in geval van gevaar. Hopelijk doet u als burger dat ook, maar de beste manier om de bijen te helpen is dus te zorgen voor meer bloeiende planten en struiken en bomen, zoals bijvoorbeeld blauwe regen, meidoorn, maagdenpalm, lavendel, appel, kers of linde. Iedereen met een eigen tuin of balkon kan dat.
Het B-team tenslotte moest maar weer eens een biodiversiteitsmarkt houden, waarop drachtplanten te koop zijn en de gemeente kan in de nieuwbouwstraten best wel bijvriendelijke bomen planten en in de bloembakken die hier en daar verschijnen kunnen bijvoorbeeld afrikaantjes.
Mogelijkheden genoeg dus.
zondag 2 december 2012
Kunnen we zonder natuur ?
De vooruitgang heeft in ons land duidelijk zijn sporen nagelaten op de
natuurbeleving en de betrokkenheid bij de natuur.
Lang niet iedereen is overtuigd van het belang van biodiversiteit in de nabije toekomst.
Ecologen waarschuwen steeds opnieuw en met bewijzen voor de gevolgen van een verdere aantasting van de biodiversiteit.
De aarde, zeggen ze, is op weg naar een kantelpunt, waarbij grote ecologische verschuivingen enorme gevolgen zullen hebben.
De meeste mensen liggen daar niet wakker van, ze geloven wel dat het uitsterven van soorten en het verlies van ecosystemen tot problemen zou kunnen leiden, maar ze vertrouwen erop dat die met onze technische vooruitgang wel zullen worden opgelost.
Zo zijn er twee groepen ontstaan die volledig langs elkaar heen praten en dat blokkeert het ontwikkelen van een krachtig natuurbeleid.
Hoe kunnen we deze patstelling nu doorbreken ?
Misschien zou het goed zijn, al vinden ecologen dat lastig, om toe te geven dat natuurlijk de mogelijkheid bestaat dat we op termijn de natuur niet langer echt nodig zullen hebben, want we kunnen bijvoorbeeld steeds meer voedsel in gecontroleerde vorm kweken, DNA-codes kraken en op termijn misschien wel het weer en het klimaat bepalen, maar ………….
Dat belangrijke “maar” hoort er wel bij: we weten het namelijk niet zeker, net zo min als we zeker weten of we dat wel moeten willen en we weten absoluut niet wanneer dat belangrijke kantelpunt zal plaatsvinden.
Er zijn signalen, zoals de stijgende temperatuur en het in snel tempo uitsterven van dier- en plantensoorten, dat het over enkele generaties al zover kan zijn.
Omdat we dus niet zeker weten of we op termijn de natuur niet meer nodig zullen hebben, moeten we alleen al daarom -gezien alles wat op het spel staat- de aantasting van biodiversiteit sterk bestrijden.
En zijn we op het moment dat het kantelpunt komt wel zover met onze zogenaamde “technical fix”, dat we de dan opkomende problemen kunnen oplossen ? Vernieuwen we daar snel genoeg voor, ook voor de kwetsbare gebieden op aarde?
Het is goed mogelijk dat de aantasting van de biodiversiteit en het klimaat een stuk sneller gaat dan het pad naar volledige onafhankelijkheid van de natuur, als dat al ooit zal lukken.
We kunnen ons dus geen verdere aantasting van de natuur veroorloven.
Dat is aan iedereen uit te leggen, zonder afbreuk te doen aan het geloof in vooruitgang en vernieuwing.
Daarmee hebben we de patstelling doorbroken.
Lang niet iedereen is overtuigd van het belang van biodiversiteit in de nabije toekomst.
Ecologen waarschuwen steeds opnieuw en met bewijzen voor de gevolgen van een verdere aantasting van de biodiversiteit.
De aarde, zeggen ze, is op weg naar een kantelpunt, waarbij grote ecologische verschuivingen enorme gevolgen zullen hebben.
De meeste mensen liggen daar niet wakker van, ze geloven wel dat het uitsterven van soorten en het verlies van ecosystemen tot problemen zou kunnen leiden, maar ze vertrouwen erop dat die met onze technische vooruitgang wel zullen worden opgelost.
Zo zijn er twee groepen ontstaan die volledig langs elkaar heen praten en dat blokkeert het ontwikkelen van een krachtig natuurbeleid.
Hoe kunnen we deze patstelling nu doorbreken ?
Misschien zou het goed zijn, al vinden ecologen dat lastig, om toe te geven dat natuurlijk de mogelijkheid bestaat dat we op termijn de natuur niet langer echt nodig zullen hebben, want we kunnen bijvoorbeeld steeds meer voedsel in gecontroleerde vorm kweken, DNA-codes kraken en op termijn misschien wel het weer en het klimaat bepalen, maar ………….
Dat belangrijke “maar” hoort er wel bij: we weten het namelijk niet zeker, net zo min als we zeker weten of we dat wel moeten willen en we weten absoluut niet wanneer dat belangrijke kantelpunt zal plaatsvinden.
Er zijn signalen, zoals de stijgende temperatuur en het in snel tempo uitsterven van dier- en plantensoorten, dat het over enkele generaties al zover kan zijn.
Omdat we dus niet zeker weten of we op termijn de natuur niet meer nodig zullen hebben, moeten we alleen al daarom -gezien alles wat op het spel staat- de aantasting van biodiversiteit sterk bestrijden.
En zijn we op het moment dat het kantelpunt komt wel zover met onze zogenaamde “technical fix”, dat we de dan opkomende problemen kunnen oplossen ? Vernieuwen we daar snel genoeg voor, ook voor de kwetsbare gebieden op aarde?
Het is goed mogelijk dat de aantasting van de biodiversiteit en het klimaat een stuk sneller gaat dan het pad naar volledige onafhankelijkheid van de natuur, als dat al ooit zal lukken.
We kunnen ons dus geen verdere aantasting van de natuur veroorloven.
Dat is aan iedereen uit te leggen, zonder afbreuk te doen aan het geloof in vooruitgang en vernieuwing.
Daarmee hebben we de patstelling doorbroken.
zaterdag 3 november 2012
Verdroging in de Oisterwijkse natuur
Verdroging in de Oisterwijkse
natuur
De Oisterwijkse bossen en vennen en de Kampina hebben last van
verdroging. Als je niet van de hoed en de rand weet, ga je daar aan twijfelen wanneer
je in de Kampina over de Van Tienhovenlaan loopt.
Heel vaak kun je er daar in de buurt van het mooie Brandven niet doorheen,
omdat de hele laan onder water staat.Toch is het zo: een groot deel van het jaar is het grondwaterpeil te laag en daar draait het bij verdroging om.
Dat heeft vervelende gevolgen voor de natuur. De dophei bijvoorbeeld, die van nature in de natte vennengebieden voorkomt, dreigt daardoor te verdwijnen, de waterkwaliteit van de vennen vermindert en dat heeft een negatief effect op allerlei plant- en diersoorten, ook op de zeldzame.
De biodiversiteit neemt dus af in deze gebieden.
Hoe is dat zo gekomen?
Landbouwgrond kun je pas goed bewerken wanneer de neerslag is weggezakt. Dus zorg je voor snelle waterafvoer naar greppels en sloten. Het gaat nog sneller bij een laag waterpeil in de sloten. Doot dit alles is het grondwaterpeil onder landbouwpercelen vaak structureel lager dan in de natuurlijke situatie. Wanneer in de buurt natuurgebieden liggen, zoals de Oisterwijkse bossen en vennen en De Kampina, dan daalt ook daar het grondwaterpeil. Bij lagere grondwaterstanden wordt er meer regenwater in het gebied vastgehouden. Regenwater is zuurder dan grondwater en bevat mineralen die voor de oorspronkelijke begroeiing niet goed zijn. De ontwatering en afwatering voor de landbouw leidt dus tot twee vormen van verdroging: daling van grondwaterstand en verandering van de kwaliteit van het water.
Grondwaterwinning kan ook leiden tot een verlaging van de grondwaterstand en als dat in of vlakbij een natuurgebied gebeurt, kan dat gebied dus verdrogen. Elk jaar wordt in Nederland zo’n 750 miljoen m3 grondwater uit de bodem gehaald voor drinkwatervoorziening. Dat gebeurt in ongeveer 250 pompstations, die gebouwd zijn op plaatsen waar goed en gemakkelijk grondwater beschikbaar is.
Niet helemaal toevallig zijn dat vaak gebieden met hoge natuurwaarden, juist vanwege dat goede grondwater. De Kampina ligt tussen twee van zulke waterwingebieden in.
Er moet dus worden ingegrepen: Natuurmonumenten, Brabants Landschap en Waterschap De Dommel gaan dat doen. Zij gaan het grondwaterpeil verhogen door slootjes te dempen, de waterstand in De Rosep plaatselijk te verhogen en rond De Huisvennen naaldbomen te kappen. Naaldbomen verdampen namelijk het hele jaar door via hun naalden grondwater dat ze met hun wortels uit de bodem halen. Heide en grassen die op de open plekken gaan groeien, verdampen veel minder water.
Dat ze maar snel beginnen !
Abonneren op:
Posts (Atom)





